Geschreven werk

Hieronder vind je een aantal artikelen, interviews en recensies die ik in de afgelopen jaren schreef. 

Culinair Magazine Bouillon!: Tulpenbol, crisisvoedsel

"Nee, honger heb je niet altijd wanneer je onbedwingbare eetdrang voelt. Ook niet als je maag rammelt als een oude dorsmachine. Honger bestaat niet in Nederland of wordt in elk geval ontkend. Een mens kan vijftig dagen zonder eten, dus waar hebben we het over? Vaak mag je het woord honger niet eens in de mond nemen, vooral niet als je van deftige huize bent. In die kringen is zelfs het hebben van het honger- vervangende trek, erg bourgeois. 

Dus over het algemeen heeft in Nederland het woord honger weinig meldkracht. Gebruik je het toch, dan volgen meewarige reacties. Dan komt er een relaas over hoeveel er wordt weggegooid in onze over producerende consumptie- maatschappij. Maar het kan ook gaan over de kindertjes in Afrika die in tegenstelling tot jouw honger, echt honger hebben. Als meewarigheid omslaat in gekwetstheid, heb je iemand tegenover je die de oorlog heeft meegemaakt. En dan liegt het er meestal niet om. In veel gevallen volgt op zijn of haar vermanende 'Maar jij hebt de oorlog niet meegemaakt', een flux de bouche aan persoonlijke hongerverhalen. Hij of zij weet immers hoe het was om de bodem van de vuilnisbakken leeg te schrapen, de keuze te moeten maken tussen vrouweneer of hongerdood of als hongertrekker het platteland af te stropen en ten einde raad dierbare bezittingen te ruilen voor een schamel handje peulvruchten. En hoewel de honger tijdens de laatste Oorlogswinter voornamelijk in het westen van Nederland toe sloeg, blijft het voor velen een diepgewortelde nationale grief waarmee niet te spotten valt. 

Honger kennen wij dus niet, maar crisis dan weer wel. De vraag naar restvoedsel groeit gestaag en steeds meer mensen vergaren voedsel op alternatieve wijze. Via de wild pluk, de balkongroei, de stadstuin, de voedselbank of de roadkill. Waarom het toch al gesneuvelde hertje laten liggen? In Crisis is het crisis." 

het hele artikel is verschenen in 
Bouillon! Magazine, winternummer 2012

 

Frank Martinus Arion: Holland ligt te ver van zee

Frank Martinus Arion in zijn huis, waar de passaatwind altijd waait.Praten over zee
In augustus 2004 stond Frank Martinus Arion in de top 100 van grootste Nederlanders aller tijde. Iets waar hij zelf erg om moet lachen. Liever praten we over de zee. De schrijver heeft zich net verdiept in verschillende soorten schepen en heeft ooit nog eens de wens om een kinderboek te schrijven over vissen. Hoe vissen tegen mensen aankijken. Op de vraag in welk werk de zee het best tot uitdrukking komt, antwoordt de schrijver met de eerste zin van een gedicht dat hij ooit schreef: "In Holland ga ik dood, want Holland ligt te ver van zee".

Je haalt er van alles uit
Wanneer je het met Frank Martinus Arion over de zee hebt, dan speelt de ligging van het eiland waar hij vandaan komt, een grote rol. "Lang niet alle zwarte mensen van de Antillen houden van de zee", vertelt de schrijver. "Vergeet niet, dat de zwarte mensen van het eiland naar het eiland toe zijn gebracht. Niet per se omdat zij zoveel van de zee hielden. Indianen houden van de zee. Dat zijn de oorspronkelijke bewoners van Curaçao. In de oude geschriften lees je dat de Indianen zo even naar Bonaire roeiden en weer terug. De zee was een verbindingsweg, hun manier van reizen." Zelf staat Arion ambivalent ten opzichte van de zee. "Je haalt er van alles uit, maar daar diep beneden is het zo onzichtbaar. Onze Noordkant bijvoorbeeld is zout en woest. Je weet niet wat er allemaal rommelt in die zee. Je moet alert zijn. Haal je adem en je krijgt zoutwater binnen dan moet je oppassen dat je je niet verslikt. Op het moment dat je in diep water bent, dan ben je diep in het water. De kans dat er vissen onder je zwemmen die je niet willen laten. De zee is vriendelijk geweld en ik bewonder mensen die er van houden."

Bier uit zeewater
Niet alle eilandbewoners houden van de zee, maar je kunt er wel wat uithalen. Zoutwater bijvoorbeeld. De tijd dat het water uit de grond omhoog gepompt kon worden of opgevangen in een regenbak onder het huis, lijkt allang voorbij. Het gouden vocht van Curaçao vindt zijn oorsprong in de waterraffinaderij Aquaelectra. Deze fabriek destilleert uit zoutwater, zoetwater. Met als belangrijk doel: het maken van bier. Een moment van verbeelding en je zou denken dat het eiland met het zeewater weer vruchtbaar gemaakt zou kunnen worden. Helaas. Zeewater is commercieel genoeg voor een koud glas bier maar te duur voor duurzame irrigatie.

Haaien aan de haak
Er is nog iets wat de eilanders uit de zee halen en dat zijn vissen. In zijn jeugdige jaren was Arion niet alleen zeeverkenner, maar ook visser. Dan ging hij met een goede vriend vanaf de Zuidkust richting Venezuela. "Daar zat Dorade, maar ook haai. Met een lijn aas kon je daar zo een haai vangen. Die haai sloegen we dan beestachtig woest dood. In stukken verkochten we 'm dan aan de Venezolaanse vissersmannen. Die maakte er een Venezolaans haaiengerecht van." Vol verwondering vraagt Arion zich af hoe het toch kan dat ie dat toen deed. Want als je een beest eenmaal leert kennen, dan is het toch anders"

De vis wordt duur betaald
Terug naar de eerste regel van het gedicht waar de zee in zit. ‘In Holland ga ik dood want Holland ligt te ver van de zee…’ Holland heeft een georganiseerde zeekust: het is daar niet vriendelijk. In Suriname ligt de zee ook ver weg want je moet uren door de modderige wadden om de zee te bereiken. Maar voor een eilandbewoner is de aanblik van de zee vanzelfsprekend. Je groeit er mee op. De vrouwen zijn er bang van en mensen weten ook: "De vis wordt duur betaald". De zee is woest. De zee is zout. De zee is vriendelijk geweld.

Artikel 'Hallo Holland': Nederlandse Taalles Ajax-spelers


Maandagochtend, 29 oktober 2002 , bestuurskamer Ajax. Napraten over de wedstrijd van gisteren tegen Willem II. Nikos Machlas was dik tevreden. Vijftien minuten in het veld en toch mooi een doelpunt kunnen scoren. Maar ook wonden likken. Christian Chivu liep een blessure aan zijn onderbeen op en Mido knalde tijdens de wedstrijd tegen een verdediger van Willem II op. Terug naar de schoolbanken.

Bevalt het je hier in Nederland?
Een vraag als: "Bevalt het je hier in Nederland? ", komt soms heel raar over. Vooral als een speler net heeft geleerd dat bevallen het baren van een kind betekent en hij de andere betekenis nog niet kent. Of: "Ben je al een beetje ingeburgerd?". Iemand die pas in Nederland is, heeft geen flauw benul wat dat betekent. " Tomás Galásek (28): "Durf Nederlands te praten! Dat is volgens mij de enige manier om het Nederlands echt goed te leren. Durf met anderen in contact te treden. Je hoeft niet bang te zijn om fouten te maken, mensen begrijpen meer dan je denkt, heb daar vertrouwen in." Tomás spreekt uit ervaring. Zelf kwam hij zes jaar geleden uit Tsjechië om voor Willem II te voetballen. Toen hij in Nederland kwam, kocht hij meteen een woordenboek. De eerste twee weken leerde hij elke avond in zijn hotelkamer Nederlandse woorden.

Bij Willem II kreeg hij les van Leon Smeets, die ook andere voetballers van niet-Nederlandse afkomst Nederlands leert. " Het verschil met het Tsjechisch is, dat het Nederlands zoveel meer woorden kent, en één woord vaak veel meer verschillende betekenissen heeft. Soms is het moeilijk om voor een Nederlands woord een goede Tsjechische vertaling te vinden." Tomás speelt sinds juni 2000 bij Ajax. Nederlandse les hoeft hij niet meer te volgen, hij kan zich verstaanbaar maken. Het grappigste Nederlandse woord volgens Tomás? Dat is: "Lekker!".

Ajaxprofs krijgen oer-Hollandse taalles
Leon Smeets: Voetballers die bij Ajax komen spelen en geen Nederlands spreken, krijgen verplicht taalles. Een ongeschreven regel is dat als de spelers drie interviews in verstaanbaar Nederlands kunnen afleggen, ze dan in aanmerking komen voor het certificaat: "Nederlands voor anderstaligen". En dat motiveert. De meeste -nog niet zo goed Nederlands sprekende- Ajaxprofs zijn sowieso wel gemotiveerd om naar Nederlandse les te gaan. Leon Smeets: "Een groot deel van de motivatie hangt wel samen met voetballen. Als een speler bijvoorbeeld geblesseerd is dan speelt logischerwijs de blessure een veel grotere rol. Als een speler niet mag voetballen en steeds op de bank moet zitten, dan is hij ook minder gemotiveerd om taalles te volgen". Smeets vindt het van groot belang dat zijn leerlingen goed Nederlands spreken: "Nederlands kunnen praten, is goed voor het zelfvertrouwen van de jongens en dat komt hun voetbalprestaties alleen maar ten goede".

Beeldwoordenboek
Smeets werkt met een beeldwoordenboek, waarin aan de hand van tekeningen en woorden, twintig thema's worden behandeld. Daarnaast heeft hij een lijst met voetbaltermen aangelegd die de spelers uit hun hoofd moeten leren. Tijdens de les wordt geoefend met werkwoorden, de en het woorden (het water, het bier, de thee). En met behulp van het boek: "IJsbreker" wordt het schrijven van zinnen geoefend.

Petri en Christian over taal
Petri Pasanen: "Het moeilijkste aan het Nederlands? Dat ik nog niet zoveel woorden ken. Ik wil mijn woordenschat uitbreiden……" Christian Chivu: "Ik heb nogal moeite met de uitspraak. Schrijven gaat al beter, maar die uitspraak…."

Gepubliceerd in de Spits! en op de site van het multimediaproject HalloHolland, TELEACNOT 

 

 

Dagkrant Nederlands Filmfestival: FAN

documentaire Nienke Eijsink


Het zijn de jaren tachtig, Nienke Eijsink is tien en smoor op Chris Randall, een karakter
uit de succesvolle Australische televisieserie The Flying Doctors. Ze verslindt de ene naar de andere uitzending en in menige scène denkt zij situaties uit haar eigen leven te herkennen.

Onbegrepen
Zo zijn Eijsink en haar familie net verhuisd van Limburg naar Hengelo, waar zij zich niet altijd even goed begrepen voelt. Dokter Chris Randall, in de serie gespeeld door Liz Burch, aardt ook niet al te makkelijk in het benepen gehuchtje Coopers Crossing, maar staat desondanks moedig haar mannetje. Eijsinks devotie groeit en inmiddels verzamelt zij alles wat los en vast zit. Ook schrijft zij haar wonderdokter in die tijd, talloze brieven (die nooit worden beantwoord).

De dag dat Chris Randall de serie uitgeschreven wordt, is Eijsink ontroostbaar. Op dat moment besluit zij het leven naar haar hand te zetten, en zelf een scène te schrijven waarin het personage terugkeert. Tien jaar later, in 2002, besluit ze haar jeugddroom wederom na te jagen. Als volwassen, getrouwde moeder en filmmaker reist zij naar Australië voor een ontmoeting met actrice Liz Burch. Zij heeft haar droom inmiddels een nieuwe vorm gegeven door een film te maken waarin Burch schittert en zo haar internationale comeback maakt.

Kwetsbare devotie
Fan is op de eerste plaats een persoonlijk, kwetsbaar egodocument van Eijsink. Zij kijkt met gezonde humor, relativering en in ludieke vorm terug op haar fanschapen gaat vervolgens opnieuw een Flying Doctors-avontuur aan. Het lijkt erop dat de ze pas tijdens het maken van die film haar devotie wat los kan laten. Op aanraden van Liz Burch zelf overigens. Dat leidt tot een grappige scène waarin Eijsink symbolisch alle Flying Doctors-spulletjes in haar kinderkamer opbergt. Over loslaten en volwassen worden gesproken. Overigens, naar verluidt ontvangt de filmmaker tijdens de première een wel heel bijzondere gast… IO

VR25-9 20:00 RE3, WO30-9 20:00, LHC2, Do1-10 16:15 LHC2

Gepubliceerd in de Dagkrant van het Nederlands Filmfestival, 2009.

 

NCRV's DichtTalent: Interview met Geert Buelens

"Zolang er communicatieproblemen zijn tussen mensen zal er poëzie worden geschreven.”

Speciaal voor Nationale Gedichtendag 2008, op NCRV’s  www.dichttalent.nl een interview met hoogleraar, schrijver en dichter Geert Buelens. Dit naar aanleiding van zijn nieuwe boek Oneigenlijk Gebruik. Over de betekenis van poëzie. Hoe is het met de poëzie gesteld, anno 2008? 
 
Uw nieuwste boek heet 'Oneigenlijk Gebruik'. Over de betekenis van poëzie. Wordt de taal in de poëzie oneigenlijk gebruikt?
Ja, veelal wel. En dat is er tegelijk het prettige, verstorende en soms irriterende van. In 'normaal' taalgebruik proberen we zo helder mogelijk te communiceren. Bij poëzie is helderheid of directheid bepaald niet de eerste zorg. Daar gaat het om taalplezier, met heel weinig woorden heel veel zeggen, denken en voelen en zingen tegelijkertijd. Je moet er dus veelal meer moeite voor doen dan om een krantenbericht te begrijpen. Het vergt meer inspanning, maar als het goed is, is de beloning navenant.

Hoe is het volgens u met de poëzie gesteld, anno 2008 in Nederland en Vlaanderen?
Goh, moeilijk om daar in Algemene Termen op kort bestek iets zinnigs over te zeggen. Het gaat niet slecht, is mijn indruk. Ondanks alle cultuurpessimisme wordt er nog altijd veel poëzie gepubliceerd, ook door grote uitgeverijen. Dat is bijvoorbeeld in Frankrijk, Engeland en Amerika heel anders. Wat experimenteler werk verschijnt daar in eigen beheer of bij hele kleine uitgeverijen, zonder verspreiding in de reguliere boekhandel. Er is ook relatief veel aandacht voor poëzie, zij het dat de echte, stevige poëziekritiek steeds meer onder druk staat. Interviews drukken kranten graag af, beschouwingen veel minder. Maar dat geldt in toenemende mate ook voor proza.

Is de basis van de poëzie het woordspel? In welke vorm dan ook?
Het is er in elk geval een belangrijk onderdeel van. Kleine kinderen houden ervan woorden op elkaar te laten rijmen, en bij rappers is dat net zo. Maar poëzie is en kan nog zoveel meer; ze kan op haar manier commentaar leveren bij het nieuws en de geschiedenis, je kunt erin nadenken over jezelf, allerlei mogelijkheden exploreren... Een ruimte creëren met en in taal.

Waar woorden ophouden, begint het gedicht, schrijft u in uw boek. Wat bedoelt u er mee?
Heel vaak probeert poëzie iets uit te drukken wat zich niet op die 'eigenlijke' manier laat zeggen. Daarom hebben we dus die bijzondere, 'oneigenlijke' manier van taalgebruik die we poëzie noemen: om iets over te brengen dat met gewone, dagelijkse, journalistieke taal niet lukt.

Heeft poëzie de toekomst?
'De' toekomst - daar ga ik gelukkig niet over. Maar poëzie heeft zeer zeker wel een toekomst. Zolang er communicatieproblemen zijn tussen mensen zal er poëzie worden geschreven. Om via een superieure omweg iets te vertellen. En daarbij dan uiteraard ook geregeld te verdwalen.

Geert Buelens (1971) is hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht. Naast verschillende essays studies en gedichten, publiceerde hij de dichtbundels Het is (2002, in 2003 bekroond met de Lucy B. en de Van der Hoogtprijs), en Verzeker u (2005). Ook schreef hij het overzichtswerk Van Ostaijen tot heden, dat werd bekroond met de Vlaamse Cultuurprijs voor Essay.

Gepubliceerd op NCRV’s Dichttalent 2008

 

 

Radio Nederland Wereldomroep: Blij dat in Frankrijk Fransen wonen

 Componist Rob Hauser (51) woont sinds anderhalf jaar met zijn Franse partner Danielle op de Mont St. Clair in Sète, een middelgrote stad aan de Middelandse Zee. De mede-oprichter van het grensverleggende Hauser Orkater ( 1971 – 1980 ) is er nog net zo druk als in Amsterdam, maar geniet van het leven in het zuiden. ‘Het zit ‘m in de kwaliteit’.

In de avond gaat Hauser even naar het café: drinken met lokale muzikanten en luisteren naar een bluesband. Als saxofonist altijd op zoek naar inspiratie en mensen met wie hij kan musiceren. Overdag componeert hij muziek voor film, televisie of musicals voor Nederlandse en Franse opdrachtgevers. Het componeren van de muziek was destijds ook zijn inbreng in Hauser Orkater. Toen het toneelschap op het hoogtepunt van het succes gesplitst verder ging (o.a. als muziektheatergroep Orkater), had het Hauser zijn roem gebracht. In Frankrijk is dat nog altijd voelbaar, vindt hij. “Als je in Nederland een wereldkampioenschap hebt gewonnen of een mooi stuk hebt gemaakt, dan heb je even een heldenstatus, maar beland je daarna –als je niet oppast- zo weer in de vergetelheid. In Frankrijk ligt dat anders. Het schrijven van een goed boek, het maken van een succesvol stuk: daarmee verdien je van de Fransen blijvend respect”, aldus Rob. “Frankrijk is een mooi land en ik ben blij dat er Fransen wonen.”

Les Halles
Maar Sète is voor hem veel meer dan het voortzetten van zijn werk in een klimatologisch aantrekkelijke omgeving. In de ochtenduren geniet hij van de mooiste momenten van de dag. Dan scootert hij de Mont St. Clair af, richting het centrum. Op naar de centrale markt van de stad: Les Halles de Sète. De centrale marktplaats is een bonte verzameling van verse waren. In de exotische kraam van Patrice is het vers fruit dat de klok slaat: wilde citroenen, papaya’s en mango’s, zo sappig dat het water je –alleen al bij een aanblik- onmiddellijk in de mond loopt. Naast fruit ook kramen met vis. Dan gaat Rob Hauser  op zoek naar de lelijkste vis van de marktplaats. Het dier is de visvormige variant van het filmmannetje E.T. met dat verschil dat het eten van de vis, volgens Hauser, vergelijkbaar is met het opdrinken van een flesje jodium. De oesters van Sète komen uit het naburige binnenmeer en liggen voor een prikkie op de markt. De wilde mosselen zijn zo van de rotsen bij de haven afgeplukt en de verse aal ligt voor het grijpen.

Seizoenswaar
Wonend in Frankrijk verbaast Hauser zich steeds meer over de Nederlandse gewoonten en trends. De supermarkt bijvoorbeeld. “De meeste marktkraamlieden hier verkopen verse seizoenswaar. Hierdoor word je gestimuleerd om andere dingen te kopen dan je gewend bent. Je eet hier wat er in een bepaald seizoen uit de grond komt. En het is ook nog eens goedkoper.” Volgens Rob gooien de Nederlandse supermarktketens het bioritme van de natuur heftig in de war. “Voordat er ook maar iets op je bord ligt, heeft het voedsel al in auto’s, vliegtuigen en bussen gezeten. Dit hele logistieke gebeuren is volstrekt onlogisch, want er komt het hele jaar door, zat uit de grond.” Toch zijn er voor hem ook grenzen. De organische afdeling van de markt, slaat hij liever even over. De bloederige hersenen, levers, tongen en harten van koeien en varkens laat hij liggen voor de echte die-hards van de Franse keuken.

Aan de wijnbar van Pascal drinkt een vast groepje mannen dagelijks een fles wijn. De Duitser bijvoorbeeld, die rijk werd van de internetbusiness en emigreerde. Of de Parijsenaar Patrice die er –op de markt- een handeltje in exotisch fruit op na houdt. Ook Rob komt er elke dag en discussieert met de anderen over de lokale politiek. Sete zit in het slop. De werkloosheid is enorm en het toerisme blijft uit, maar Hauser gelooft in de potentie van de stad. Hij heeft ook wel een oplossing die de anderen met belangstelling aanhoren. “De studenten uit Montpellier naar Sete lokken.” Binnenkort heeft de componist/saxofonist een afspraak met de burgemeester van Sète. Aan ideeën nog altijd geen gebrek.

Gepubliceerd op de site van de Wereldomroep, 2005

 

Radio Nederland Wereldomroep: Fréjus kameren tussen de bosbranden
Alleen satellietschotel en tuinkabouter bleven overeind

 

De jonge palm- en peperbomen groeien weer. Twee jaar geleden vernietigde een bosbrand van enorme omvang het overgrote deel van Camping du Colombier in Fréjus. Met regionale en nationale overheidshulp stond de camping in zeven maanden weer overeind. Volledig vernieuwd, aanzienlijk veiliger dan voorheen en weer vol met vakantievierende kampeerders. Al hebben de meeste Nederlandse gasten niet opnieuw geïnvesteerd in een eigen mobiele woning.

Dertig jaar al komen Frits (64) en Marianne (61) Hermens op de Camping du Colombier. Vroeger kwamen ze tijdens de bouwvak met de vouwwagen, maar sinds tien jaar bivakkeert het echtpaar van april tot eind oktober in een mobiel huis. Tijdens de brand op de camping, op 28 juli 2003, ging hun huis in vlammen op. Het hele huisraad verdween in een vuurzee. Nu, twee jaar na de brand, zijn ze de enige overgebleven Nederlanders met een eigen huis op de camping. Andere Nederlanders, met wie ze de afgelopen dertig jaar de camping deelden, zagen het niet meer zitten om opnieuw in een mobiel huis te investeren. Sommigen komen wel terug, maar huren een huisje op de camping.

Mistral
In de omgeving van Fréjus komen bosbranden vaak voor. Soms is een vonk uit de uitlaat van een auto genoeg om een ramp te veroorzaken, soms worden de branden aangestoken. Dat gebeurde ook in 2003. “Die dag waren er al meer bosbranden uitgebroken. De Mistral waaide stevig (130 km per uur) en het was een warme, droge periode, vertelt Frits Hermens. “Veel brandstichters weten precies wanneer het effect van hun actie het grootst is: tussen twee en vier en als de Mistral begint te waaien. Je ziet omstreeks die tijd vaak al een helikopter op verkenning gaan, op zoek naar mogelijke brandhaarden.”

“Op het moment van de brand lag mijn vrouw Marianne binnen te lezen en televisie te kijken. Ik sliep en mijn vrouw maakte me wakker, omdat zij uit westelijke richting een rode gloed zag opdoemen die steeds groter werd. Het was stil op de camping. De meeste mensen zaten bij het zwembad of waren naar het strand gegaan.”

Serieuze zaak
“We pakten onze spullen en de filmcamera en zijn meteen het terrein afgereden in de de richting van Fréjus. Daar werd ons steeds meer duidelijk. Verschillende wegen waren afgesloten en het wemelde er van de politieagenten. Pas toen we tegen een uur of acht op de parkeerplaats van een supermarkt de gasflessen hoorden exploderen, beseften we dat deze bosbrand een serieuze zaak was. Maar nog steeds hadden we niet het idee dat de brand onze camping zou treffen.”

“Via mensen op straat begrepen we dat we naar de hangar van de nabijgelegen marinebasis moesten gaan. Daar troffen we onder de 30.000 evacués vrienden en bekenden aan. We kregen fruit en water en mijn vrouw Marianne fungeerde als tolk voor toeristen die niet zo goed Frans spraken. Pas om twee uur ’s nachts hoorden wij van de nachtportier van Du Colombier dat de camping in vlammen was opgegaan, inclusief ons mobiele huis. Alleen de satellietschotel en de tuinkabouter hadden het overleefd.”

Einde
De eerste reactie van de eigenaar van de camping was dat het einde van Camping du Columbier een feit was. Totdat president Chirac het getroffen gebied kwam bezoeken. Met de hulp van regionale en nationale steun kon begonnen worden aan een tweede leven voor Colombier. Maar: de brandveiligheid moest wel tiptop in orde zijn. Inmiddels is de brandpreventie dan ook drastisch verbeterd. Zo staan er  sproeidouches aan de randen van de camping en op het hele terrein zijn rode kasten met brandblusapparatuur geplaatst. Ook is de evacuatieroute in tijden van brand, duidelijk met pijlen aangegeven. Barbecueën met houtskool is uit den boze en het gebruik van gasflessen is aan banden gelegd. Meerdere malen per seizoen wordt een brandoefening gehouden. Het brandblussysteem op de camping is aangesloten op het waternet van de gemeente. Mocht dat water tijdens een brand op zijn, dan schakelt het systeem over op water uit het zwembad.

Schrik
De familie Hermens is inmiddels weer overgegaan tot de rust van alledag, maar soms komt de schrik toch weer even in de benen. Gisteren loeide het karretje van het campingentertainment plotseling in het voorbijgaan. Het bleek een ludieke actie voor waterspuitactie voor de kinderen. Maar Marianne en Frits stonden alweer op het punt om hun spulletjes te pakken. Het bleek gelukkig vals alarm. 

Gepubliceerd op de site van de Wereldomroep, 2005